“Best een gek park.” Ik moet al minstens 22 minuten onderweg moest zijn. Rustig wandel ik verder. Over het gras, want ik had een paar minuten geleden besloten het paadje te verlaten. Op het veld waren veel mensen. Aan het spelen, hardlopen, lezen, vrijen, of gewoon genietend van de zon. Ha, de zon. Blij dat die weer even doorbreekt.

Een gek park. Mijn eerste indruk was bijzonder lieflijk. Mooie bloemen, ontzéttend veel vlinders, en zo mogelijk nog meer eekhoorntjes. Terwijl ik daaraan terugdacht, onderdrukte ik het gevoel om rechtsomkeert te maken en daar heel hard naartoe te kruipen.
Na de bloemetjes, ik moet ongeveer 10 minuten onderweg zijn geweest, begon het keihard te regenen. En daar waren ook ineens die nare hondjes. Een stuk of acht. Ik moest rennen als een gek, omdat ze ontzettend hard blaften en me allemaal, stuk voor stuk, één keer in mijn rechterkuit beten. Stomme honden. Het deed nog steeds pijn. Affijn, toen de hondjes eindelijk weg waren en ik half rennend doorstrompelde in de regen, flikkerde ik ook nog eens ontzettend hard op mijn gezicht. Uitgeput, onder de modder, kleddernat, pijn in mijn rechterkuit, het kon niet slechter. Ik moet minstens 7 minuten gerend hebben. Het park zag er op die plaats trouwens ook níet uit. Het pad was één grote modderpoel, maar ik besloot om het toch maar te blijven volgen. Een oorverdovende stilte, behalve natuurlijk de kletterende regen.

Een vriendelijke man hielp me overeind. Op dat moment hield het langzaam op met regenen. Het pad werd weer begaanbaar, en ik stapte met een vleugje moed door. In de verte zag ik een paar hele mooie meisjes staan. Ze staarden me aan als een dronkelap naar zijn zojuist ontkurkte fles wijn. Lastig was echter dat het pad een andere kant op ging, dus ik wuifde ze met een hartstochtelijke doch vastberaden glimlach goedendag en vervolgde mijn weg. Een beetje beduusd van alle honden en dames kwam ik bij een T-splitsing. Zonder na te denken nam ik de weg naar rechts, en dacht vanuit mijn ooghoeken links een paar teleurgestelde mensen hun hoofd af te zien wenden.

Het park was daar supermooi. Een groepje parkfanaten vertelden me alles wat ze wisten over het park. Ze hadden de nare neiging heel hard door elkaar heen te praten, en elkaar – zonder onderling een discussie aan te gaan – op alle punten tegen te spreken. Een beetje moe van die rakkers besloot ik maar verder te lopen. Eén fanaat riep me nog iets na over dat ik het gras eens zou moeten betreden. Ik keek rechts het gras op en vond het niet eens zo’n heel gek idee. Terwijl even daarvoor een groep mooie meisjes me niet zover had gekregen, stapte ik nu wel van het pad af.

Verbazingwekkend. Ik trapte mijn schoenen uit, om het gras te voelen. De nog grijze wolken maakten hier en daar plaats voor verheugende blauwe vijvertjes aan de hemel. Ik boog door mijn knieën, plukte een margrietje. Heel even kreeg ik de neiging om te gaan zitten, maar nee, ik moest verder. Het park was groot genoeg, ik zou er nog wel een uur over doen om alles te zien. Terwijl ik me weer oprichtte, voelde ik weer kracht naar binnen stromen. Het grasveld was druk, maar hier waren de mensen om me heen vooral bezig met het volschelden van anderen. Hen negerend schreed ik, inmiddels al 20 minuten onderweg, voort richting een kant waarvan ik wist dat het de goede was.

Plotseling zag ik geen hand meer voor ogen. Alsof iemand van 2 centimeter afstand een foto van mijn ogen had genomen. In paniek rende ik een rondje, en knalde ik daarbij met mijn hoofd tegen een hele grote boom aan. Duizelend kwam mijn zicht terug. De boom was zwart, hoog, breed en bovenal dreigend. Het leek alsof iedereen er al een keer tegenaangelopen had, en zo niet, iedereen zou er een keer tegenaan lopen. Ik haatte de boom, maar zijn plaats in het park was onmiskenbaar. Toen mijn zicht weer volledig terug was, zag ik het. Ik kroop op, en het was weg. Ik had het heel even gezien, en wist dat het was wat ik altijd wilde zien.

Wankelend, stapje voor stapje, liep ik verder, en al snel zat ik weer in mijn ritme. Mijn hand inspecteerde mijn hoofd, waarop Hoofd concludeerde dat er geen blijvende schade was. Hoofd stuurde een verzoekje aan Hart om niet meer rondjes te gaan rennen bij blindheid. Hart vond dat een goed idee. Een paar stapjes verder vond ik dat het park nog mooier was geworden.

En daar wandel ik nu. Twee minuutjes verderop ligt een meer. Ik heb zin om te zwemmen. Daarachter een heuvel. Misschien dat ik die nog opklim. Links en rechts van mij mensen die zich op de één of andere manier vermaken. Fijn.

Ineens besef ik me dat ik een mening heb over dit park. Het heeft een goede beheerder.