Enkele uren geleden is mijn trein na een rit van 5 uur gearriveerd in Rome. Aangezien mijn vorige bericht nog op de valreep vanuit Florence gepost is, zou het kunnen lijken dat ik in de tussentijd niets gedaan heb. Geheel het tegendeel is het geval: ik heb de bijzondere ambiance van het Venetiaanse leven mogen beleven. Dwalen en verdwalen, internet voor € 9,00 per uur en dan nog niet eens livenews kunnen bereiken en pizza eten met een filosofiestudent uit New York. Vandaag een bericht over Venetië, vanuit Rome. Binnenkort hopelijk Rome vanuit Rome.
Deo volente, om in de vaticaanse sferen te blijven.

Venetië. Bijzonder. Bijzonder vreemd. Dubbel. Niet altijd bevredigend, maar wel inspirerend.

Het Venetiaanse masker
O Venetië, hoeveel geld
Had ik er zo voor neergeteld
Om te zwemmen tussen uw fregatten

Wat mij ervan weerhoudt? De ratten
Die met uw toeristen komen aangesneld

Wanneer de trein het station van Venetië binnenrijdt, heb ik goede moed; dat Venetië bijzonder is, weet iedereen, maar ik mag het gaan beleven. Vrolijk, enthousiast en benieuwd loop ik de trappen van het station af, vastberaden richting het hostel. Vier uur later zit ik verslagen op een terras op de Campo Santa Margherita, het plein waar het hostel op uitkomt. Starend naar de dikke droppels, die van het zonnescherm af rollen. Wat moet Venetië een rotstad zijn in de winter, bedenk ik me terwijl ik stug buiten blijf zitten met een indrukwekkende (en veel te dure) pul bier, te trots om me te laten trotseren door een plensje water. In de afgelopen urenheb ik voor mijn gevoel de gehele stad al gezien en ben er niet positief over: ze kwam op me over als een combinatie tussen de Maasvlakte, een bouwput en Rotterdam. Iedere straat loopt dood en iedere brug leidt nergens toe. Een koude zeewind slaat in je gezicht die een aroma meevoert dat het beste vergeleken kan worden met de keuken bij mij thuis, op zijn hoogtepunten.

Ik besluit nog een biertje te bestellen en vroeg te gaan slapen, in de hoop de volgende dag in een ander Venetië wakker te worden.

Dat blijkt een verstandige zet: wanneer de zon schijnt, wordt de stad al een stuk aantrekkelijk. Na een gratis ontbijt van het youth hostel liep ik, 12 broodjes later en als een Obelix die in de pot met cafeine is gevallen, te dwalen richting de San Marco. In deze uren heb ik de betekenis van de term ‘touristische route’ geleerd.
Een touristische route is als een muziekstuk, zorgvuldig gecomponeerd in vierkwartsmaat: juwelier-juwelier-juwelier-gondelier. Dit herhaalt zich zo’n 6 maten, waarne een ‘bridge’ de compositie transfromeert naar een 7/8: dure jassen-dure jassen-juwelier-juwelier-gondelier-gondelier-juwelier, gevolgd door een ‘da Capo’, maar dan zonder ‘al Fine’.

Op deze manier ritmisch dwalend door Venetië, in de hoop ooit de San Marco te bereiken, over de Ponte di Rialto (vergelijkbaar met de Ponte Vecchio in Florence, maar dan trapsgewijs in de hoogte werkend), die uitzicht biedt over het Canal Grande, begint mij op te vallen dat ik alle talen hoor, behalve Italiaans. De kakofonie van Engels-Japans-Nederlands-Duits-Frans bereikt zijn hoogtepunt bij de San Marco.

Daar gearriveerd zet ik mij neer op het enige gratis schaduwplekje, dat deze bijzondere locatie te bieden heeft. Urenlang kijkend naar de Basilica, het Palazzo Duchale en de toeristen verbaas ik mij voornamelijk over de gigantische aantallen duiven, die ongewoon brutaal en opvliegend zijn.

Terwijl (zoals gewoonlijk) vele vragen mijn arme hoofdje bestormen in een gewelddadige wedloop, valt er plotseling een kwartje:

Die duiven zijn de verloren gewaande zielen van koopzieke vrouwen, gedoemd hun hele leven lang massaal op alles wat gratis lijkt, af te vliegen. En de bedelaarsters zijn de opperduiven. Verbaasd bedenk ik mij, dat er hier in Venetië dan wel een mega-sale aan de gang moet zijn.

Leuk om gezien te hebben, Venetië. Maar die 3 dagen waren lang zat. Rome roept.