snot (het,de ~ (m.))
1 neusvocht
2 snotziekte

´snot·aap (de ~ (m.))
1 snotneus

´snot·jon·gen (de ~ (m.))
1 iem. die nog niet meetelt => groentje
2 snotneus

´snot·ko·ker (de ~ (m.)) [inf.]
1 neus

´snot·lap (de ~ (m.)) [inf.]
1 zakdoek

´snot·neus (de ~ (m.))
1 loopneus
2 jong iem. die zich meer aanmatigt dan met zijn leeftijd overeenkomt => snotaap, snotjongen, kwajongen, bengel
3 ouderwetse olielamp met lange tuit

´snot·pe·gel (de ~ (m.)) [inf.]
1 snottebel

´snot·te·bel (de ~)
1 bel van dikke snot die uit de neus hangt

´snot·te·ren (onov.ww.)
1 snot lozen
2 herhaaldelijk de neus ophalen
3 huilen

´snot·te·rig (bn.)
1 veel snot hebbend
2 gauw huilend

snot·ver·´dik·ke·me (tw.)
1 [bastaardvloek]

snot·ver·´kou·den (bn.)
1 snipverkouden

´snot·ziek·te (de ~ (v.))
1 vogelziekte met afscheiding van slijm in de ademhalingsorganen => snot